Het levenslied

Het Levenslied

in Leegte
schiep ik iets
hield het vast
tot ik losliet

in Dát
schiep ik dit
vorm verscheen
tot ik verdween

in Zijn
schiep ik ziel
mijn naam
totdat ik viel

in Stilte
werd ik klank
in Niets klonk
mijn Levenslied

Het gedichtje ontstond nadat ik mij realiseerde dat:

Onze ware natuur is van vóór het begin, voor ons levenslied:
Het onnoembare waar niettemin zoveel woorden aan zijn gegeven:
Stilte, Godheid, Brahman, het Absolute, Tao, het niets dat alles is, Liefde, het Ene, Licht, de wortel, Zijn. De bron van elke beweging, het Goddelijke, het Hart aller Harten, louter bloeiend, de Heilige Geest, rust en vrede. In zichzelf levend. In zichzelf stralend. Gelukzalig en vervuld.

Dan rijst bewustzijn op. Ik Ben, zonder meer. Ik besta.
Adem, klank, levensenergie, beweging. Zonder verlangen (herinnering aan vreugde) en zonder angst (herinnering aan pijn). Zonder ‘lading’, zonder ‘afdrukken’,

Vervolgens wordt de Stilte en ‘zuivere’ beweging bedekt door de geest van denken, voelen, willen (verlangen en angst). Bedekt door onze ervaringen en ‘afdrukken’. In de zuivere beweging kunnen ze uit resoneren. Echter de identificatie ligt op de loer: het denken dat je je gevoelens bent, je emoties en je gedachten. Wat leidt tot stagnatie en schepping van eigen werkelijkheden. Haalt je weg bij en bedekt je ware natuur, wie je wezenlijk bent.

Maar onze levenslied brengt ons terug bij de Stilte. ‘De terugweg’, de ontsluiering. Stop, temper, de identificatie, ervaar de beweging zonder meer, laat het gevoel, de emotie en het denken, zijn. Zonder vast te pakken. Laat het uit resoneren. Het stoppen, temperen, van het scheppen, brengt je terug bij de stilte in het Hart. Terug naar vóór het begin, onze ware natuur.

ik bind mijn handen en mijn voeten
leg mijn vinger op mijn mond
de beweging in mijn lichaam
zoekt in mijn Hart haar diepste grond

liever dan dat is mij Niets

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *