in Leegte schiep ik iets hield het vast tot ik losliet
in Dát schiep ik dit vorm verscheen tot ik verdween
in Zijn schiep ik ziel mijn naam totdat ik viel
in Stilte werd ik klank in Niets klonk mijn Levenslied
Het gedichtje ontstond nadat ik mij realiseerde dat:
Onze ware natuur is van vóór het begin, voor ons levenslied: Het onnoembare waar niettemin zoveel woorden aan zijn gegeven: Stilte, Godheid, Brahman, het Absolute, Tao, het niets dat alles is, Liefde, het Ene, Licht, de wortel, Zijn. De bron van elke beweging, het Goddelijke, het Hart aller Harten, louter bloeiend, de Heilige Geest, rust en vrede. In zichzelf levend. In zichzelf stralend. Gelukzalig en vervuld.
Dan rijst bewustzijn op. Ik Ben, zonder meer. Ik besta. Adem, klank, levensenergie, beweging. Zonder verlangen (herinnering aan vreugde) en zonder angst (herinnering aan pijn). Zonder ‘lading’, zonder ‘afdrukken’,
Vervolgens wordt de Stilte en ‘zuivere’ beweging bedekt door de geest van denken, voelen, willen (verlangen en angst). Bedekt door onze ervaringen en ‘afdrukken’. In de zuivere beweging kunnen ze uit resoneren. Echter de identificatie ligt op de loer: het denken dat je je gevoelens bent, je emoties en je gedachten. Wat leidt tot stagnatie en schepping van eigen werkelijkheden. Haalt je weg bij en bedekt je ware natuur, wie je wezenlijk bent.
Maar onze levenslied brengt ons terug bij de Stilte. ‘De terugweg’, de ontsluiering. Stop, temper, de identificatie, ervaar de beweging zonder meer, laat het gevoel, de emotie en het denken, zijn. Zonder vast te pakken. Laat het uit resoneren. Het stoppen, temperen, van het scheppen, brengt je terug bij de stilte in het Hart. Terug naar vóór het begin, onze ware natuur.
ik bind mijn handen en mijn voeten leg mijn vinger op mijn mond de beweging in mijn lichaam zoekt in mijn Hart haar diepste grond